• Shuffle
    Toggle On
    Toggle Off
  • Alphabetize
    Toggle On
    Toggle Off
  • Front First
    Toggle On
    Toggle Off
  • Both Sides
    Toggle On
    Toggle Off
Front

How to study your flashcards.

Right/Left arrow keys: Navigate between flashcards.right arrow keyleft arrow key

Up/Down arrow keys: Flip the card between the front and back.down keyup key

H key: Show hint (3rd side).h key

image

PLAY BUTTON

image

PLAY BUTTON

image

Progress

1/411

Click to flip

411 Cards in this Set

  • Front
  • Back
décousu
los (kleding), onsamenhangend
vaillant
flink (voor ZN), gezond (na ZN)
dévoué
toegewijd
le voeu
de gelofte, de wens
bénir
zegenen, loven, dankbaar zijn
un queue
een staart, rij, steel
entremêler
vermengen
s'entremêler
elkaar afwisselen
rageur rageuse
opvliegend, woedend
indolent
lui, lusteloos, apatisch
complaisant
gedienstig
orphelin(e)
wees
une aile
een vleugel
grogner
knorren, mopperen
un sursaut
plotselinge schok, uitbarsting (van energie)
frotter
wrijven (tegen), inwrijven
se frotter
in conflict komen met, zich inwrijven, zich wrijven
se frotter les yeux
zich de ogen uitwrijven
un oreiller
een hoofdkussen
battre
slaan, verslaan
se battre
vechten, twisten, zich slaan
(pain) bis
grijsbruin, bruinbrood
traire
melken
tiède
lauwwarm, ongemotiveerd, zacht (weer)
cogner
slaan, erop slaan,afrossen
se cogner
zich stoten
sourd
doof, stil
un maillet
houten hamer
un marteau
een hamer
épais
dik, zwaarlijvig, dicht (opeen)
reculer
achteruitgaan, terrein verliezen, terugkrabbelen
le fourré
struikgewas, kreupelhout
fourré
gevoerd, gevuld
le pré
wei, grasland
l'herbe est toujours plus verte dans le pré voisin
buurmans gras is altijd groener
le dépit (un air de dépit)
ontgoocheling
en dépit de
ondanks
un hameçon
een vishaak, lokaas
contrefaire
nabootsen, verdraaien, misvormen, veinzen
accourir
toesnellen
la semelle
een schoenzool, een stap, strijkvlak, glijvlak (ski)
une cheville
enkel, vleeshaak, pen
être en cheville avec qqn
met iemand in zee gegaan zijn
échevelé
wild, met verwarde haren
rusé
listig, sluw
une ruse
een list, sluwheid
une fourre
een sloop, een hoes
empoigner
grijpen, boeien, inrekenen
s'empoigner
elkaar in de haren vliegen, elkaar uitschelden
lâche
laf, gemeen, loshangend
ingrat
ondankbaar, niet lonend, lelijk
l'âge ingrat
puberteit
défier
uitdagen, trotseren
se défier de
wantrouwen, zich hoeden voor
tordre
draaien, buigen, verwringen
se tordre
zich wringen, zich krom lachen
serrer
strak aanhalen
serrer qqn de près
iemand op de hielen zitten
effleurer
beroeren, aanroeren
se blottir
zich verschuilen, zich oprollen, zich nestelen
agir
handelen, te werk gaan
il s'agit de
het gaat over
un tabouret
een krukje, een voetbankje
le rebut
het afval, uitschot
le rideau
het gordijn, rolluik
tomber en rideau
naar de knoppen gaan
le bout
het einde, uiteinde
s'ébréchér une dent
een stuk van zijn tand breken
l'agrément (m)
het genoegen, het plezier, de officiele goedkeuring
une cabane
een hut, een krot, een hok
embellir
verfraaien, mooier maken, mooier worden
au-dedans
binnenin, aan de binnenkant
au-dehors
van buiten, aan de buitenkant
l'au delà
het hiernamaals, verderop
au-dessous
daaronder, eronder
au-dessus
erop, daar bovenop
l'intervalle (m)
tussenpoos, tussenruimte
bouché
dichtgestopt, dichtbewolkt
la ficelle
het touwtje, slim (bn)
un imprécation
een vervloeking een verwensing
lamentable
slecht, bedroevend
garroter
knevelen
l'écart
de spreiding, de afwijking, marge, afgelegen plaats
ravoir
weer hebben, terugkrijgen
habile
handig, bedreven
trahir
verraad plegen, verraden, ontrouw zijn
se trahir
zich verraden, zich uiten
agonir
uitschelden
l'agonie
de doodsstrijd, het verval
brave
moedig, flink, dapper (na ZN) braaf, goed (voor ZN)
l'effronterie (v)
onbeschaamheid, brutaliteit
effroyable
verschrikkelijk
le foin
hooi
le blé
tarwe
atteindre
bereiken, raken
la crainte
de vrees, de angst, ontzag
engloutir
verlinden, opslokken, verspillen
s'engloutir
verdwijnen, zinken, ondergaan
un tronc
een stam, een romp
pourri
verrot, bedorven, vochtig
le tombeau
graf
faillir
weinig schelen of
j'ai failli manquer le train
het scheelde niet veel of ik had de trein gemist
inattendu
onverwacht, verrassend
la matinée
de voormiddag, de ochtend
il a manqué d'y étouffer
bijna verstikt zijn
puisque
aangezien, nu , toch, want
puisque vous êtes la
nu u er toch bent
l'écorce (v)
de schors, de schil
vanter
roemen ophemelen, aanprijzen
craindre
vrezen, bang zijn voor
précipiter
naar beneden gooien / storten, versnellen
se précipiter
zich haasten
téméraire
overmoedig/onbezonnen
prudent
voorzichtig, wijs/verstandig
taire
verzwijgen
se taire
zwijgen/stilhouden
la poltronnerie
de lafheid
abattu
verzwakt
la rodomontade
de opschepperij
je t'assure
ik zweer het
rassurer
geruststellen
pareil
eender, gelijk, hetzelfde
la bravoure
de moed, dapperheid
feindre
veinzen
adroitement
behendig, vaardig
un sentier
pad, voetpad, wandelpad
apprêter
klaarmaken
s'apprêter
zich gereed maken
effrayé
geschrokken
effrayer
schrik aanjagen
s'effrayer
schrikken
une vipère
een adder
un brigand
een struikrover, schurk, kwajongen
mécontent
ontevreden
la chaloupe (de sauvetage)
een (reddings)sloep
un radeau
een vlot
la boussole
een kompas
une hache
een bijl
une rame
een roeispaan
las/lasse
vermoeid, uitgeput
relever
behoren bij overeind, rechtop zetten, ontslaan
la faction
wacht, dienst
boisé
bebost
ballotter
heen en weer slingeren
un matelot
een matroos
vénérer
vereren, aanbidden
le gredin
een schurk, bandiet
le cerf
het hert
une lieue
een mijl (4km)
coudre
naaien
repasser
strijken, overdoen
savonner
inzepen, polijsten
border
staan, varen, lopen, afzetten
aboutir à
uitkomen op, uitmonden in, tot resultaat leiden, slagen
une croûte
een korst
embarrasser
in verlegenheid brengen, hinderen
s'embarrasser de
zich zorgen maken over
tressaillir
huiveren, rillen, opschrikken
lasser
vervelen, ontmoedigen
se lasser de
genoeg krijgen van
une embellie
een oplaring, een opleving, kortstondige windstilte
la vanterie
de opschepperij
éprouver
beproeven, ondervinden
le désir
het verlangen, libido
avec ménagement (m)
het ontzien, met behoedzaamheid
le saisissement
het bevangen worden, schrik
occasionner
veroorzaken, teweegbrengen
l'espérance
(hoopvolle) verwachting
féroce
wild (beesten), wreed, verschrikkelijk (enorm)
attrister
bedroeven, vertrietig maken
s'attrister
bedroefd worden
par terre
op de grond
un navire
een schip
un chemin de fer
een spoorweg
un singe
een aap
ennuyeux
vervelend, saai
à la renverse
achterover, op de rug
agité
onrustig, woelig
ça en a tout l'air
daar ziet het wel naar uit
l'air
het uiterlijk, het voorkomen
une vague
een golf
engloutir
verslinden, opslokken
le vomissement
het braken, braaksel
une écorchure
schram, schaafwond
une meurtrissure
een kneuzing, blauwe plek
la méchanceté
de boosaardigheid, slechtheid, gemene streek
assommer
neerslaan, vellen
elle l'avait bien mérité
ze heeft het verdiend
puisque
aangezien, daar nu toch want
singulier
opvallend, bijzonder
une agitation
een heftige beweging, opwinding, onrust
la malle
reiskoffer
entrecoupé
(telkens) onderbroken
satané
vervloekt
embarquer
inschepen, aan boord gaan
une barque
een bootje
le discours
de redevoering, redenering, rede, gepraat
le dévouement
de toewijding, de opoffering
honorer
eren, nakomen
une providence
voorzienigheid, reddende engel, geluk (toevals)treffer
réfractaire
hittebestendig, (à) ongevoelig voor
tout au moins
minimum
évidé
uitgehold
arroser
begieten, klinken op, bedruipen
une groseille
een (aal)bes
déborder
overlopen, overvol zijn, woedend worden, overbelasten, lostrekken
cramoisi
karmozijnrood
une gambade
bokkensprong, capriool, vrolijke buiteling
séduir
iemand verleiden, voor zich winnen, omkopen
aimable
aardig, vriendelijk, aangenaam
disposer
beslissen, tot zijn beschikking hebben, rangschikken
se disposer
zich klaarmaken om
aîné
oudst
posé
bedaard, rustig, kalm
dévoué
toegewijd
ample
wijd, ruim, uitgebreid, overvloedig
radieux
stralend, schitterend
couler
stromen, vloeien, lekken, zinken, overgieten
une larme
een traan
baigner
baden
un souvenir d'enfance
een kinderherrinering
une écurie
een stal, schildknaap
tomber à la renverse
achterovervallen (stomverbaasd zijn)
le gré
goeddunken, wil
de gré ou de force
goedschiks of kwaadschiks
vraisemblable
waarschijnlijk, geloofwaardig
le mât
een mast, boom, paal
le habit
kostuum, habijt, uiterlijk (meervoud)
l'habit ne fait pas le moine
schijn bedriegt
raide
stijf, strak, stram, bezopen
la habileté
de handigheid, slimmigheid
le lointain
de verte
lointain(e)
ver, afgelegen
un rocher
een rots
le bas
kous
un ruisseau
een beek, stroom
rouler dans le ruisseau
in de goot terechtkomen
les petits ruisseaux font les grandes rivières
vele kleintjes maken een groot
une datte
een dadel
un palmier
een palmboom
la chair
vlees, vruchtvlees, lichamelijke behoeften
l'esprit est prompt mais la chair est fable
de geest is gewillig maar het vlees is zwak
la sottise
de dwaasheid, stommiteit
être de moitié
deel uitmaken
le baquet
bakje, kuipstoel
un somme
slaap, dutje, bedrag, totaal
rude
ruw, hard
la casserole
steelpan
un tonneau
ton, tank
glacer
doen bevriezen, doen verstijven
échapper
ontsnappen
une ronce
een braamstruik
brandir
dreigend zwaaien, slingeren
craintivement
angstig
l'empire
imperium, rijk
impérieux
gebiedend, onweerstaanbaar
daigner
zo goed zijn om
accorder
toegeven, verlenen, toekennen
le rivage
kust, strand, oever
les sombres rivages
het rijk der duisternis, de hel
le chucotement
het fluisteren
le sifflement
het gefluit, het gesis
au petit jour
tot in de vroege uurtjes
le chant
het zingen, lied
une rime
een rijm
tirer de l'arc
boogschieten
une massue
een knots
délibérer
beraadslagen, besluiten
l'éloquence (v)
welbespraaktheid, overtuigingskracht
une écoutille
een luik(gat)
la délivrance
de uitreiking, opluchting, verlossing
un pieu
een paal
en travers
dwars
un couvercle
een deksel, klep
envieux
afgunstig, jaloers
délier
losmaken, ontheffen, vergeven
se délier
losraken, (+de) zich vrijmaken van
un verrou
een grendel
la sûreté
veiligheid
tarder
lang uitblijven, op zich laten wachten, (+à) met verlangen
une fente
een spleet, barst kloof
un escabeau
krukje, voetbankje, keukentrapje
la prise
het grijpen, buit, stopcontact
bâilloner
een prop in de mond doen, knevelen
tracer
uitzetten, traceren, beschrijven
s'injurier
elkaar beledigen
C'est à lui après Dieu que je dois la vie
het is na god dat ik hem mijn leven verschuldigd ben
rétablir
herstellen, gezond maken
se rétablir
terugkeren, herstellen
l'abondance (v)
overvloed, rijkdom
le chagrin
verdriet, leed, smart
faire de la peine à qqn
iemand verdriet doen
prosterner
eerbiedig buigen
se prosterner
neerknielen, zich vernederen
la douleur
smart, zeer , leed verdriet
inexorable
onverbiddelijk, meedogenloos
un brin
draadje, takje, stukje
fendre
splijten, doorklieven
depuis le sommet de la tête jusqu'au talon.
van top tot teen
amarrer
vastmeren, vastzetten
le gosier
het keelgat
bondir
opspringen, huppelen
un chevreuil
een ree, reebok
une voile
een doek, sluier , zeil
hisser
hijsen
se hisser
zich omhoogwerken, zich ophijsen
un lambeau
een lap, flard
amer
bitter, zuur
ivre
dronken, beschonken
le hamac
de hangmat, kooi (schip)
une scie
een zaag
des ciseaux
schaar
une aiguille
een naald, wijzer, spits
le dédain
minachtig (air de)
l'exil (m)
ballingscap, afzondering
adroit
handig, behendig
l'embellissement
de verdraaiing, de versiering
la complaisance
de vriendelijkheid, grote inschikkelijkheid
la gaieté
de vrolijkheid, grap
être en gaieté
boven zijn theewater zijn
déguisé
vermomd, verkleed
emprunter
geld lenen, ontlenen
caverneux
hol(klinkend)
le maréchal
maarschalk
hanté
waar het spookt
oser
durven, wagen
accroire
geloven
une épée
een zwaard, degen
un bougeoir
een luchter
le moisi
de schimmel, beschimmeld
égorger
kelen
la ferraille
schroot, oud ijzer, oud roest
le séant
zitvlak
séant
gepast, welvoeglijk
braver
uitdagen, trotseren
un poignard
een dolk
un sein
borst, boezem
s'aplatir
plat gaan liggen, kruipen
entrouvert
halfopen, op een kier
revêtir
bekleden, aantrekken
l'enfer (m)
de hel, onderwereld
un abîme
afgrond, kloof
l'anneau (m)
een ring
un aïeul
grootvader
une dalle
tegel
interminable
eindeloos, ellenlang
le drap
laken
turlupiner
kwellen, plagen, dwarszitten
s'emparer de
zich meester maken van
éternel
eeuwig
le rabat-joie
de tegenslag, zuurpruim
la jouissance
het genot, het klaarkomen, vruchtgebruik
priver
beroven, ontnemen, ontzeggen, onthouden
je pense tout haut avec elle
juist hetzelfde denken
la stupéfaction
de stomme verbazing
un marmiton
een koksjongen
assomant
stom vervelend
solennel(lement)
plechtig
convenir
het eens zijn over
ravi
overgelukkig, eenvoudig van geest
imérieux
autoritair, dringend
plaindre
beklagen
se plaindre
klagen
un prêcheur
een predikant
vertueux
deugdzaam, kuis, eerbaar
défroqué
uitgetreden
l'impolitesse (v)
onbeleefdheid, ongemanierdheid
commettre une impolitesse
een onbeleefdheid begaan
attirer
aantrekken, bezorgen
un blâme
afkeuring, berisping, blaam
un tournebroche
een draaispit
hardiment
onverschrokken, onbezonnen, onbeschaamd
un coup-de-poing
een boksbeugel, vuistbijl
congédier
wegsturen, ontslaan, opzeggen (huurcontract)
écorcher
villen, schaven, schrammen, (s') zich
une ortie
een brandnetel
scélérat
misdadig, schurkachtig
la scélératesse
de misdaad, een schandelijke daad
rondement
vlot, prompt, ronduit, openhartig
ressembler
lijken op, typisch zijn
cela lui ressemble tout à fait
dat is net iets voor hem
se ressembler
dezelfde zijn, op elkaar lijken
un exploit
een topprestatie, heldendaad, dwaasheid (ironisch)
le courage
de moed, de inzet, de dapperheid
rosser
afrossen, aframmelen
un prêtre
een priester
enfermer
opsluiten, omsluiten
s'enfermer
de deur op slot doen
l'indulgence
de toegeeflijkheid
le pardon
de vergiffenis
un acte héroïque
een heldendaad
la prouesse
een koene daad
la miséricorde
barmhartigheid, genade
la consolation
de troost
consoler
troosten
administrer
beheren, leiden, besturen, toedienen
s'administrer la meilleure part
zichzelf het beste deel toe-eigenen
exiger
eisen, opeisen, vorderen, vereisen, vergen
l'enterrement
de begrafenis
un galérien
galeiboef, dwangarbeider
il travaille comme un galérien
hij werkt zich in 't zweet
un bourreau
een beul, scherprechter
un bourreau d'argent
een patser, verkwister
un bourreau des cœurs
een hartenbreker
la langueur
de matheid, traagheid, smachtend verlangen
tomber en langueur
beginnen te kwijnen, neerslachtig worden
navrement
grote bedroefdheid, wanhoop
navrer
diep bedroeven, grieven, kwetsen
j'en suis navré
het spijt me zeer
la désespoir
de wanhoop, vertwijfeling