• Shuffle
    Toggle On
    Toggle Off
  • Alphabetize
    Toggle On
    Toggle Off
  • Front First
    Toggle On
    Toggle Off
  • Both Sides
    Toggle On
    Toggle Off
Front

How to study your flashcards.

Right/Left arrow keys: Navigate between flashcards.right arrow keyleft arrow key

Up/Down arrow keys: Flip the card between the front and back.down keyup key

H key: Show hint (3rd side).h key

image

PLAY BUTTON

image

PLAY BUTTON

image

Progress

1/100

Click to flip

100 Cards in this Set

  • Front
  • Back
commencer
beginnen, begon, is begonnen
comprendre
begrijpen, begreep, heeft begrepen
decider
besluiten, besloot, heeft besloten
se reveler
blijken, bleek, is gebleken
rester
blijven, bleef, is gebleven
casser
breken, brak, heeft/is gebroken
porter
brengen, bracht, heeft grebracht
penser
denken, dacht, heeft gedacht
faire
doen, deed, heeft gedaan
porter
droeg, heeft gredragen
manger
eten, at, heeft gegeten
aller
gaan, ging, is gegaan
donner
geven, gaf, heeft gegeven
avoir
hebben, had, heeft gehad
aider
helpen, hielp, heeft geholpen
tenir
houden, hield, heeft gehouden
choisir
kiezen, koos, heeft gekozen
regarder
kijken, keek, heeft gekeken
venir
komen, kwam, is gekomen
acheter
kopen, kocht, heeft gekocht
obtenir
krijgen, kreeg, heeft gekregen
laisser
laten, liet, heeft gelaten
lire
lezen, las, heeft gelezen
souffrir
lijden, leed, heeft geleden
paraitre
lijken, leek, heeft geleken
courir
lopen, liep, heeft/is gelopen
prendre
nemen, nam, heeft genomen
rouler
rijden, reed, heeft/is gereden
appeler
roepen, riep, heeft geroepen
offrir
schenken, schonk, heeft geschonken
creer
scheppen, schiep, heeft geschapen
paraitre
schijnen, scheen, heeft geschenen
ecrire
schrijven, schreef, heeft geschreven
couper
snijden, sneed, heeft gesneden
parler
spreken, sprak, heeft gesproken
etre debout
staan, stond, heeft gestaan
mourir
sterven, stierf, is gestorven
lutter
strijden, streed, heeft gestreden
tomber
vallen, viel, is gevallen
attraper
vangen, ving, heeft gevangen
comparer
vergelijken, vergeleek, heeft vergeleken
oublier
vergeten, vergat, heeft/is vergeten
perdre
verliezen, verloor, heeft verloren
trouver
vinden, vond, heeft gevonden
demander
vragen, vraagde/vroeg, heeft gevraagd
jeter
werpen, wierp, heeft geworpen
savoir
weten, wist, heeft geweten
gagner
winnen, won, heeft gewonnen
devenir
worden, werd, is geworden
dire
zeggen, zei/zegde, heeft gezegd
envoyer
zenden, zond, gezonden
voir
zien, zag, heeft gezien
etre
zijn, was, is geweest
etre assis
zitten, zat, heeft/is gezeten
pousser
dringen, drong, heeft/is gedrongen
pendre
hangen, hing, heeft gehangen
battre
slaan, sloeg, heeft/is geslagen
fermer
sluiten, sloot, heeft gesloten
chanter
zingen, zong, heeft gezongen
laver
wassen, waste, heeft gewassen
contraindre
dwingen, dwong, heeft gedwongen
se trouver
liggen, lag, heeft gelegen
monter
stijgen, steeg, is gestegen
boire
drinken, dronk, heeft gedronken
rire
lachen, lachte, heeft gelachen
mesurer
meten, mat, heeft gemeten
disparaitre
verdwijnen, verdween, is verdwenen
voler
vliegen, vloog, heeft/ is gevlogen
souffler
blazen, blies, heeft geblazen
verser
gieten, goot, heeft gegoten
sentir
ruiken, rook, heeft geroken
sauter
springen, sprong, heeft/ is gesprongen
mordre
bijten, beet, heeft gebeten
prier
bidden, bad, heeft gebeden
courber
buigen, boog, heeft/is gebogen
frapper
treffen, trof, heeft getroffen
briller
glimmen, glom, heeft/is geglommen
vloer
stelen, stal, heeft gestolen
sentir mauvais
stinken, stonk, heeft gestonken
repasser
strijken, streek, heeft/is gestreken
peser
wegen, woog, heeft gewogen
offrir
bieden, bood, heeft geboden
relier
binden, bond, heeft gebonden
flotter
drijven, dreef, heeft/ is gedreven
guerir
genezen, genas, heeft/is genezen
glisser
glijden, gleed, heeft/is gegleden
saisir
grijpen, greep, heeft gegrepen
chasser
jagen, jaagde/joeg, heeft gejaagd
grimper
klimmen,klom, geklommen
mentir
liegen, loog, heeft gelogen
prendre peur
schrikken, schrok, is geschrokken
pousser a l'ecart
schuiven, schoof, heeft/is geschoven
regretter
spijten, speet, heeft gespeten
piquer
steken, stak, heeft gestoken
defendre
verbieden, verbood, heeft veboden
geler
vriezen, vroor, heeft/is gevroren
faire signe
wijzen, wees, heeft gewezen
chercher
zoeken,zocht, heeft gezocht
nager
zwemmen, zwom, heeft/is gezwommen
se taire
zwijgen, zweeg, heeft gezwegen